Vanaf 60 of 70 jaar gaan de meeste mensen wat krukken. Je hoort ze er niet over, meestal niet tenminste. Behalve die mevrouw van 86 die er gloeiend de pest in had dat haar knieën, rug, heupen, polsen, vingers en haar rechter voet zo’n zeer deden. Lekker doorstappen van de sluis naar de super was er niet meer bij. Dat holletje de dijk op, dat ging nog wel, maar niet met tegenwind. Zij werd er opstandig van. Maar de meeste oudere mensen accepteren dat het minder wordt.

 

In de overgang krijgen vrouwen een voorproefje van ouder worden, overal pijntjes, geen enkel kwaaltje geneest vlot. Gelukkig gaat dat over, vandaar het woord overgang. Als alle hormonen rustig zijn geworden, dan knappen ze weer op. Jammer dat sommige vrouwen dan vergeten weer actief te worden, weer eens af te vallen, wat tijdens de overgang echt niet lukt.

Een enkeling heeft genetisch pech. Die begint met de pijntjes in alle botten en gewrichten op zijn 40ste, zoals zijn ouders, broers, zusters en tantes. Vroege artrose, vlot versleten. Vrolijk blijven met pijn, ze weten niet beter. De geest is 40, de gewrichten 80.

Oud en pijnlijk zijn, dat wordt een probleem als je niet meer mee kunt met de boswandeling, de strandwandeling. Langzaam perkt het leven zich in. Fietsen gaat nog, maar wandelen is verworden tot je moeizaam 500 meter verplaatsen. Dan lukt ook dat niet meer. Tot slot schuifel je achter een rollator.

Er zit patroon in. Wie fysiek en sociaal actief blijft, desnoods op de vierkante meter, die loopt het langst. Gaan zitten omdat alles pijn doet, dat is op je oude dag bijna hetzelfde als gaan liggen. Dat is zonde. Aan het eind lig je nog lang genoeg op je rug, doodstil. Dat hoef je bij leven niet te oefenen.